Het orgel in de Oude Jeroenskerk te Noordwijk werd in 1840 gebouwd door de Amsterdamse orgelmaker Hermanus Knipscheer II. In 1904 breidde Gerrit van Leeuwen het orgel uit met een vrij pedaal en werd tevens een aantal registers vernieuwd, te weten de Trompet 8′, Prestant 8′ (Bovenwerk) en Viool di Gamba 8′.
Tijdens de laatste restauratie door de firma Flentrop zijn alle bovengenoemde registers gereconstrueerd, evenals de klaviatuur, mechanieken en kanalisatie. Van het pedaal uit 1904 werden de windlade en enig pijpwerk opnieuw gebruikt. De Fagot 16′ is nieuw.
Toonhoogte: a¹ = 442 Hz bij 17 °C · Temperatuur: evenredig zwevend · Winddruk: 78 mm
De orgelmaker Gerrit van Leeuwen (1868–1946)
Tijdens de grote kerkrestauratie in 1903/1904 besloot men ook het orgel grondig te renoveren. Op advies van J.A. de Zwaan, leraar orgel aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, werd het orgel uitgebreid met een vrij pedaal van drie stemmen.
Orgelmaker Gerrit van Leeuwen uit Leiden voerde het werk uit. De door De Zwaan voorgestelde uitbreiding met een vrij pedaal werd gerealiseerd: Open Subbas 16′, Octaafbas 8′ en Bourdon 8′. De grootste pijpen van de Open Subbas waren bijna 5 meter lang.
De restauratie betekende echter ook een aantasting: drie originele registers, de oorspronkelijke klaviatuur en delen van de speelmechanieken waren verdwenen; het open pijpwerk was voorzien van opzetstukken met expressions.
De kerk is genoemd naar de martelaar Jeroen. Hij zou de eerste pastoor van Noordwijk genoemd kunnen worden. Door de Noormannen werd hij in het jaar 856 onthoofd. Zijn hoofd zou volgens de overlevering nog ergens in de kerk begraven liggen, maar niemand weet waar.
In het koor is in 1983 een schedel opgegraven, maar onderzoek heeft uitgewezen dat dit de schedel van een jonge man is geweest en dus zeker niet van Jeroen. Noordwijk was, vóór de reformatietijd, een bedevaartsoord vanwege de verering van Jeroen.
Kort na 1311 vond men in de kerk een schedel. Men was ervan overtuigd dat dit de schedel van Jeroen was. Pelgrims begonnen vanaf dat moment toe te stromen. In 1429 kreeg Noordwijk van de bisschop van Utrecht de status van bedevaartsoord.
Oude gravure van de Oude Jeroenskerk
Na de Tweede Wereldoorlog werd een restauratie opnieuw noodzakelijk geacht. Op advies van Adriaan Engels kreeg de firma G. van Leeuwen & Zonen te Leiderdorp de opdracht. Willem van Leeuwen had inmiddels het bedrijf van zijn vader overgenomen.
De oude spaanbalgen werden vervangen door drie regulateurbalgen. De windladen werden voorzien van het later fel bekritiseerde Veka-systeem. Het register Gemshoorn 4′ werd vervangen door een Scherp 3-4 st. Het orgel werd 140 cm naar achteren verplaatst, tot tegen de torenwand.
Door deze restauratie was het Knipscheer-concept nog verder aangetast. De verplaatsing gaf niet de gehoopte klankverbetering en orgelkas en balustrade vormden nu geen harmonieus geheel meer. De Rijkscommissie van advies voor Kerkorgels besloot het orgel niet op de Monumentenlijst te plaatsen — een besluit dat achteraf gezien een misser was.
In de jaren ’80 was het al duidelijk dat een grondige restauratie onontkoombaar was. Organist Jaco van Leeuwen drong aan op actie. Begin juni 1999 volgde de demontage.
Vóór de restauratie (1988)
Pijpwerk Hoofdwerk vóór restauratie (1999)
De lege orgelkast (1999)
De technische staat liet veel te wensen over: de mechanieken functioneerden niet goed meer, het orgel speelde onevenredig zwaar. Bij gekoppelde manualen waren snelle passages praktisch onmogelijk. De windladen en -kanalen vertoonden veel lekkage en de winddruk was niet meer stabiel.
De restauratie door Flentrop Orgelbouw te Zaandam, onder adviseurschap van Aart Bergwerff, omvatte onder meer: volledige restauratie van de windladen, verwijdering van alle opzetstukken met expressions uit 1904, reconstructie van het dubbelkoor van de Prestant 8′, nieuwe registers in Knipscheer-factuur, een geheel nieuwe klaviatuur en reconstructie van de spaanbalgen.
De gehele orgelkas werd teruggeplaatst op de oorspronkelijke positie — 140 cm naar voren, van de westwand af. De kas en balustrade werden opnieuw geschilderd in een zware zandsteenkleur. Het snijwerk en de labia van de frontpijpen werden voorzien van bladgoud.
Restauratie van de windladen bij Flentrop Orgelbouw te Zaandam (1999)
Nieuwe toetsen in Knipscheer-stijl worden vervaardigd (1999)
Een nieuwe spaanbalg in aanbouw bij Flentrop (1999)
Het pijpwerk van het Hoofdwerk na restauratie (2000)
Registerknoppen van het Hoofdwerk. Let op de spelling van ‘Terts’.
De nieuwe klaviatuur in Knipscheer-stijl (2000)
Weelderig snijwerk op de borstwering met muziekinstrumenten
Het Knipscheer-naamplaatje, vervaardigd en aangebracht in 2001
Kleurtrap (1998): alle verflagen door de eeuwen heen zichtbaar gemaakt
Alle foto’s: Jaco van Leeuwen
K = H. Knipscheer (1840)
L = G. van Leeuwen (1904)
F = Flentrop Orgelbouw (2000)
Toonhoogte: a¹ = 442 Hz bij 17 °C · Temperatuur: evenredig zwevend · Winddruk: 78 mm
Teksten: Jaco van Leeuwen